Momenteel worden her en der in Vlaanderen nog nesten met jonge kerkuilen van late broedsels vastgesteld door onze vrijwilligers. Terwijl onze collega’s in het westelijk deel van Vlaanderen van bij aanvang van het broedseizoen een vrij normaal tot zeer goed resultaat mochten ervaren bleek in het oostelijk deel de situatie enorm tegen te vallen. Heel wat nestkasten bleven leeg of gaven enkel aanwezigheid van ‘niet-broedende’ adulten. Werd er toch een broedsel aangetroffen dan was de legselgrootte aan de lage kant (slechts 4 eieren of maar 2 à 3 jongen) en tot anderhalve maand later dan vorige jaren. Meerdere nesten bleken al verlaten door het broedende vrouwtje, de broedvogels gaven het broeden gewoon op.

Oorzaak van dit alles was (is), een lage muizenstand die nog altijd een nasleep is van de winterprik in 2021 en de doornatte periodes met overstromingen die we in de tussentijd nog gekend hebben, in combinatie met een daljaar. Pieken en dalen in de muizenpopulaties behoren tot een natuurlijk proces, de curve volgt de gunstige omstandigheden in mastjaren (veel eikels en nootjes) en ongunstige in daljaren (vb. 2021). Daar de kerkuil een echte muizenspecialist is en moeilijk kan overschakelen op andere prooisoorten wordt hij hier rechtstreeks door getroffen.

De vernoemde winterprik trof vooral het oostelijk landsdeel. In het studiegebied van de Zuiderkempen en het noorden van het Hageland vielen heel wat slachtoffers onder de broedvogels. Van de lokale broedpopulatie was gekend dat 40% vogels betrof tussen de 5 en 14 jaar oud. In 2022 werden 20 adulten gecontroleerd waarvan 17 in actieve rui, dit laatste betekent dat ze dus niet deelnamen aan het broedproces. Nog slechts 15% van deze vogels had een leeftijd van 5 jaar of ouder. De lokale broedpopulatie werd dus grotendeels aangevuld met ‘jonge vogels’ (2018-2019-2020-2021). En dat verklaart naast een lage muizenstand ook het ‘later’ broeden en een lager broedsucces...